© De Nederlandse Provincie van Oblaten osfs | contact
Philothea

Wegen tot een evenwichtig leven
Willem Spann osfs

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | nawoord | naar index

14. METTERDAAD – Mens, erger je niet

(Inleiding, deel III, 8-9)

Beste Philothea,

Als derde 'kleine deugd' wil ik het vandaag met je hebben over de zachtmoedigheid. Het is opvallend, dat jullie Nederlandse taal zoveel variaties op dat woord heeft: zachtheid, zachtaardigheid, zachtzinnigheid. Misschien is dat laatste woord nog wel de beste keus, want wat ik bedoel, heeft niet zozeer met het gemoed of de aard van een mens te maken als wel met zijn gezindheid. De eerste twee heb je niet zelf in de hand, terwijl je je gezindheid voortdurend kunt bijstellen en veredelen.

Het is in dit verband opvallend, hoe er in bijbelvertalingen en vrome boeken wordt omgegaan met de uitspraak van Jezus in Mattheüs 11, 29. De Willibrordbijbel van 1995 vertaalt die met: 'Kom bij Mij in de leer, omdat Ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart'. Dat geeft de grondtekst beter weer dan 'dat Ik zachtmoedig ben…'. Jezus wil zeggen, dat Hij meer te vertrouwen is dan vele andere leraren, die luidkeels proberen, zichzélf te prediken. Het gaat om de gezindheid, wil Jezus zeggen: het is juist de bescheiden, bedaarde onderwijzer die overtuigt. Nu staat ook in míjn boek de vertaling met 'dat', maar het vervolg van mijn betoog over de zachtzinnigheid gaat toch in de richting van de modernere weergave. Dat blijkt wel uit mijn voorbeelden: soldaten die paniek zaaien, ordebewaarders die harder schreeuwen dan degenen die ze stil willen krijgen, vaders die liever bemoedigende woorden gebruiken dan zwaarder geschut. Als echte humanist durf ik te stellen, dat 'de rede zich altijd gehaat maakt, als ze zich inlaat met drift en geweld, omdat haar natuurlijk evenwicht omlaag gehaald wordt door tirannieke machtsmiddelen'. Mijn conclusie hieruit vind je in de volgende zin: 'Je ziet wel dat het dus veel beter is, maar liever zonder de drift te leven. Het is namelijk zo goed als onmogelijk, er een matig en verstandig gebruik van te maken.'

Maar wat moet je dan doen om te leven zonder de drift? Let wel, dit slaat net zo goed op je omgang met jezélf als op je gezindheid tegenover ánderen. Ziehier enkele vuistregels:

1) Probeer, niet kwaad te worden, ook niet op jezelf; wees geen eeuwige kankerpit of ruziezoeker. Dus: 'Mens, erger je niet!'
2) Maak overtredingen van dit voornemen altijd weer zo snel mogelijk goed, en wel in alle rust en eenvoud, omdat je best wéét, hoe zwak je in feite bent.
3) Laat ook in moeilijke momenten, als het in je binnenste dreigt te gaan koken, de hand van God niet los. Denk aan de leerlingen in het bootje op het meer: 'Heer, red ons. We vergaan!'

Het was trouwens heel goed opgemerkt van één van mijn kenners, dat ik in de Philothea in plaats van de drie 'grote' kloosterdeugden een andere trits voorop heb gezet: de drie 'kleine deugden' van de vrouw of de man in het alledaagse doen. Ik ben er dan ook vast van overtuigd, dat alleen een stevige basis van liefdevol geduld, bescheidenheid en zachtzinnigheid de standvastige beoefening mogelijk maakt van elke andere 'deugd', of het nu in het klooster is of in de 'wereld'. Ik durf daarom, na deze grondslag gelegd te hebben, ook met jóu verder op pad te gaan, wie je ook bent en hoe je leven er ook uit mag zien.