© De Nederlandse Provincie van Oblaten osfs | contact
Philothea

Wegen tot een evenwichtig leven
Willem Spann osfs

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | nawoord | naar index

18. METTERDAAD – Hoe gaan we om met geld en goed?

(Inleiding, deel III, 14-16)

Beste Philothea,

in drie korte zinnetjes heb ik indertijd de gewenste christelijke houding geschetst tegenover geld en goed: "Verlang niet met hart en ziel naar iets dat je niet bezit. Hecht je hart niet aan wat je wél bezit. Treur niet om wat je verliest." Alleen al hieruit is wel duidelijk, dat armoede, als deugd (of gelofte) verstaan, minder met de inhoud van je beurs of de hoogte van je banksaldo te maken heeft dan met de koerswaarde van je innerlijk. Zit je aan het stoffelijk bezit vast geklit of sta je er boven? Ook hier past, zoals bij de kuisheid, een van de zaligsprekingen van Jezus: "Zalig zijn de armen van geest (of zeg maar: van hart), want ze zijn de hemel te rijk" (Matth. 5, 3).

Het is wegens de veranderde tijdsomstandigheden opnieuw moeilijk, mijn raadgevingen van indertijd letterlijk op te volgen. Wij zagen bijvoorbeeld het standenverschil nog in alle eerlijkheid als door God gewild. Op de aristocratische families als die waartoe ik zelf behoorde, rustte de plicht, "van onze rijkdom mee te delen" aan hen die minder hadden (dat was ónze "armoede"), maar de armoede van de échte armen op te heffen lag nog buiten ons gezichtsveld. Jezus' woord over de armen die we altijd bij ons zouden hebben, namen we argeloos voor kennisgeving aan. Het wás nu eenmaal niet anders. God had het zo beschikt en je moest maar van de nood een deugd maken. Een arme die daar geen vrede mee nam, was niet arm van geest. De houding die ik de werkelijk armen aanried, moet nu wel betuttelend klinken: "Schaam je niet arm te zijn en vraag gerust in naam van de liefde [niet van de rechtvaardigheid dus!] de dingen die je nodig hebt. Neem nederig aan wat je gegeven wordt. En aanvaard zelfs zachtmoedig het feit dat men je soms niets wil geven."

Maar gesteld dat alle maatschappelijk onrecht uitgebannen zou zijn (en zo ver is het ook in jullie tijd nog lang niet…), dan blijven de waarheden en wenken uit de eerste alinea hun geldigheid houden. Want dan zou voor állen gaan gelden wat ik in mijn hoofdstuk "over de armoede in rijkdom" heb proberen duidelijk te maken. Je kunt rijk en arm tegelijk zijn, zeg ik daar; je kunt een grote zorg om aardse dingen verbinden met een even grote onthechting. Mijn voorbeeld van een tuinman die het park van een groot vorst verzorgt, komt dicht bij de moderne gedachte van het goede rentmeesterschap. "Ons bezit behoort ons niet werkelijk toe, God heeft het ons alleen maar toevertrouwd, Hij wil ook dat wij het productief maken. Wij gehoorzamen Hem en wij doen Hem een genoegen als we goed voor ons tijdelijk bezit zorgen. Maar om precies dezelfde reden moeten we er ook beter en meer toegewijd voor zorgen dan wereldse mensen, want die werken uit eigenliefde maar wij moeten werken ter wille van de liefde Gods."

Uit dit verschil tussen eigenliefde en Godsliefde als motief trek ik dan weer de conclusie, dat bij de echte arme van hart gejaagdheid, onrust en onbeheerstheid plaats maken voor beminnelijkheid, rust en vriendelijkheid in het behartigen van de tijdelijke dingen. Soms maken zulke "kleine deugden" de grote mogelijk die we bewonderen in heiligen als Lodewijk de Vrome en Elisabeth van Hongarije. Maar anderzijds is er geen enkele reden om aan te nemen, dat een solidariteitsmaaltijd, een derde-wereldrommelmarkt, een inloophuis of andere van zulke moderne initiatieven minder waarde zouden hebben. Misschien wel integendeel! Arm zijn met de armen zoekt aangepaste vormen in elke nieuwe tijd.