© De Nederlandse Provincie van Oblaten osfs | contact
Philothea

Wegen tot een evenwichtig leven
Willem Spann osfs

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | nawoord | naar index

23. METTERDAAD – Evenwicht in oordelen en spreken

('Inleiding', deel III, 26-30)

Beste Philothea,

Zelden heb ik me in mijn werken zó fel geuit als in het hoofdstukje van de "Inleiding" over het kwaadspreken: "Als ik één van de gloeiende kolen van Gods altaar had, zou ik er de lippen van de mensen mee aanraken om ze te zuiveren… wie het kwaadspreken uit de wereld kon helpen, zou haar bevrijd hebben van haar grootste kwaal". Het zat me kennelijk hoog. Ik heb aan het oordelen en spreken dan ook bijna evenveel hoofdstukken en bladzijden gewijd als aan de vriendschap (zie nummer 19). Kwam het door mijn afkomst uit adellijke en hoofse kringen? Misschien hangt daarmee ook samen dat ik (alweer!) twee keer de heilige Franse koning Lodewijk als voorbeeld neem; die naam moet in het milieu van mijn vrome ouders hebben rondgezongen….

Het zwaartepunt van mijn uiteenzettingen ligt zeker in de twee hoofdstukken over lichtvaardig oordelen en kwaadspreken: goede bezinningsstof voor iedereen die beseft, in deze beide opzichten wel eens over de schreef te gaan. Ze zijn te lang om ze hier uitvoerig te volgen, maar ook te kostbaar om er niet eens (in een retraite bijvoorbeeld) terdege mee bezig te gaan. Ik kies er echter deze keer voor, de drie andere, kortere stukjes onder de loep te nemen. Ze laten namelijk zo helder zien wat jullie, naar mij, "de salesiaanse geest" zijn gaan noemen.

1. Mijn ideaal bij het spreken over God heb ik hier uitgedrukt met weer zo'n schitterende verwijzing naar het Hooglied*): "Laat de honing van godsvrucht en godsdienst als dauw neerdalen in de harten van je toehoorders, zoals de bruid dat deed (Hooglied 4, 11: 'Je lippen druipen van honing, mijn bruid; honing … vindt men onder je tong"), en bid intussen in het diepst van je ziel, dat deze dauw tot in de kern van hun harten mag doordringen. Fijnzinnig herinner ik je hier aan de naam die ik je eerder gegeven heb: Philothea: "Als iemand liefheeft, praat hij daar gemakkelijk over. Als je dus 'op God verliefd' bent, kun je niet anders dan het vaak over Hem hebben." Waaronder ik dan weer absoluut geen 'vroom geklets' versta!

2. Na een scherpe afkeuring van onfrisse en giftige taaluitingen, sta ik in mijn betoog over het waardig met anderen spreken even stil bij de weldadige gave van het speels en quasi-spottend in woorden met elkaar omgaan. Ik herinner eraan, dat de Grieken het uitdelen van deze kleine 'plaagstootjes' eutrapelíe noemen, wat dan met 'gezelligheid' wel heel slap vertaald is; beter kun je zeggen 'wendbaarheid', 'geestigheid' of 'gevatheid'. Zoals het voorbeeld van Lodewijk laat zien, doet zoiets op z'n tijd zelfs een koning deugd.

3. Tenslotte benadruk ik weer eens de juiste balans: "Ook in gesprekken moet je altijd de uitersten vermijden. Als je steeds de gesloten, zwijgende peinzer uithangt en niet wilt deelnemen aan de gesprekken in je vertrouwde omgeving, zou dat er op wijzen dat je je vrienden maar half vertrouwt of er maling aan hebt. Wil je altijd haantje de voorste zijn, dan getuig je toch wel van grote oppervlakkigheid en onachtzaamheid. (Zie ook nummer 19 voor het duidelijke verband met mijn Leefregel van Padua!)

*) Misschien mag hier even gewezen worden op de bewerking in het Duits van een mooie brochure van André Brix OSFS over het Hooglied bij FvS in "Jahrbuch für salesianische Studien" Band 38 (2007). Geïllustreerd door Herman Focke!