© De Oblaten van Franciscus van Sales | contact

Citaat september 2019


In Genesis 28, 12 wordt verteld hoe Jakob droomt over een ladder. Deze ladder staat op de aarde en de top er van reikt tot in de hemel. Engelen gebruiken deze ladder om op te stijgen en neer te dalen. Zo dient de ladder als beeld om de afstand tussen hemel en aarde te overbruggen. Het beeld keert nog een keer terug in Johannes 1, 51 waar Jezus zegt: “Je zult zien hoe de hemel geopend is en Gods engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon”. Hier wordt het beeld vooral gebruikt om de nauwe band tussen God en Jezus uit te drukken. In de ‘Inleiding tot het devote leven’ deel 1 hoofdstuk 2 schrijft Franciscus van Sales in dezelfde lijn over deze ladder: “Je kunt erlangs afdalen om daadwerkelijk de evennaaste te helpen en je kunt erlangs opstijgen om in een beschouwende liefde de vereniging met God te bereiken. Kijk maar eens naar degenen die op de ladder staan: het zijn mensen met engelenharten of engelen met een menselijk lichaam. (…) Op de vleugels van het gebed vliegen zij snel en hoog naar God, maar van de andere kant staan zij met beide voeten op de grond in hun omgang met hun medemensen. Hun ogen weerspiegelen de onbekommerde schoonheid van hun hart omdat zij geleerd hebben alles in milde rust te aanvaarden.” In zijn beide boeken gebruikt Franciscus van Sales het beeld van de Jacobsladder dus niet alleen voor Jezus en engelen, maar ook als een weg die mensen kunnen gaan. Wie zich door de liefde tot God mee laat trekken, gaat mee omhoog, richting hemel. Vervolgens komt men gelouterd weer op aarde terug.

Kijk maar eens goed, Theotimus, hoe God op nauwelijks merkbare wijze Zijn genade door laat dringen in het hart van de mens die daarvoor openstaat. Zo trekt Hij hen trede voor trede omhoog op de Jacobsladder. Weet je hoe Hij ons naar zich toetrekt? Dat doet Hij eerst in ons, maar zonder ons. Vervolgens doet Hij het weer in ons, maar dan met ons. “Trek mij mee”, zegt de heilige bruid uit het Hooglied, en dat betekent: het begin is niet aan mij, want uit mezelf kan ik het niet. Alleen als U me in beweging brengt, kan ik me gaan verroeren. En als U me eenmaal in beweging heeft gebracht, dan bewegen we beiden. U loopt voor mij uit en trekt me steeds met U mee, ik volg U en geef zo gehoor aan Uw aansporingen. Dat betekent niet dat U mij achter U aansleurt, want zo is het echt niet. Ik ben geen geboeide slaaf of een willoze wagen. U trekt mij aan met een heerlijke geur (Hooglied 1, 3) en ik volg U niet omdat ik wordt meegesleurd, maar omdat U me daartoe verleidt. Uw aansporingen zijn sterk, maar niet gewelddadig. Er komt geen dwang aan te pas. De heerlijke, zoete geur doet zijn werk, die trekt mij mee en de kracht er van is mild en aangenaam."

Uit: Franciscus van Sales, Verhandeling over de liefde tot God, boek 2 hoofdstuk 13.
Bekijk ook de foto van de maand