© De Oblaten van Franciscus van Sales | contact

Citaat mei 2019


In de Theotimus ofwel de Verhandeling over de liefde Gods verwijst Franciscus van Sales regelmatig naar Aurelius Augustinus (354 - 430). Augustinus wordt wel de grootste christelijke denker genoemd. In boek 2 hoofdstuk 10 van de Theotimus legt Franciscus van Sales uit hoe het toch kan dat mensen God afwijzen en weigeren om van Hem te houden. Die uitleg is voor een groot deel gebaseerd op wat Augustinus beschrijft in zijn boek 'De civitate Dei' ofwel 'De stad van God'. Naast de 'Belijdenissen' is dit het bekendste en meest invloedrijke werk van Augustinus. In 412 begon Augustinus met het schrijven van 'De stad van God', op verzoek van een hoge ambtenaar van de Romeinse staat. De bedoeling was het christendom te verdedigen. Hij werkte er twaalf jaar aan. Behalve de gevraagde apologie is het ook een overzicht van de geschiedenis van de mensheid. Als stijlvorm is gekozen voor een dramatische strijd tussen twee gemeenschappen of steden: de ene trouw aan God, de andere afvallig. Dit gegeven past naadloos in het hoofdstuk van Franciscus van Sales, waarin hij een vergelijking maakt tussen mensen die God houden en mensen die Hem afwijzen:

In het twaalfde boek van de Stad van God, in de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9, laat de grote heilige Augustinus zijn licht schijnen over deze kwestie. Hij heeft het daar voornamelijk over engelen, maar toch gaat zijn vergelijking in dit opzicht ook op voor mensen. In hoofdstuk 6 vergelijkt hij twee engelen of mensen met elkaar die beiden precies even goed zijn en die door dezelfde bekoring worden gegrepen. Vervolgens wordt gezegd dat de één de duivel kan weerstaan, maar dat de ander zal zwichten. In hoofdstuk 9 bewijst Augustinus dat alle engelen geschapen zijn in een toestand van heilige liefde en dat die liefde en genade voor ieder van hen precies hetzelfde is. Vervolgens vraagt hij hoe het dan toch mogelijk is dat één groep engelen in het goede volhardt en er voortgang in boekt, terwijl een ander deel van de engelen van het goede is afgedwaald en de partij van het kwade heeft gekozen. Zo is er een groep die de eeuwige glorie heeft verworven en een groep die verdoemd is. Augustinus antwoordt dat het enig mogelijke antwoord is, dat de eerste groep dankzij Gods genade weet te volharden in de liefde die zij bij hun schepping hebben ontvangen. En dat de andere groep, ondanks het goede in hen, uit eigen vrije wil de kant van het kwaad kiest. (…) God wijst je nooit af, tenzij je Hem afwijst. God verlaat je nooit, tenzij je Hem verlaat. God ontzegt ons Zijn gaven alleen als wij Hem ons hart ontzeggen."

Uit: Franciscus van Sales, Verhandeling over de liefde tot God, boek 2 hoofdstuk 10.
Bekijk ook de foto van de maand