© De Oblaten van Franciscus van Sales | contact

Citaat juni 2018


In het bijbelboek Jeremia, hoofdstuk 17 vers 11, kunnen we lezen over een patrijs die eieren uitbroedt die ze zelf niet heeft gelegd. Grote heiligen hebben er over geschreven. Zo schrijft Ambrosius (339 - 397), bisschop van Milaan, er over in een van zijn brieven. Ook Isidorus (560 - 636), aartsbisschop van Sevilla en bekend als de beschermheilige van het internet, verwijst er naar in zijn geschriften. Ditzelfde 'weetje' over patrijzen wordt hier door Franciscus van Sales (1567 -1622), bisschop van Genève, geciteerd. Niet als letterlijke feitelijkheid over de wonderlijke wereld der dieren, maar als beeldspraak, als gelijkenis. Dit soort voorbeelden uit de natuur gebruikt Franciscus van Sales met grote regelmaat. Dat heeft te maken met zijn overtuiging dat de mens een wereld in het klein is, iets wat hij precies zo opschrijft in de Philothea (deel 4 hoofdstuk 13). Ook in de Theotimus maakt Franciscus van Sales gebruik van voorbeelden uit de natuur, zoals in boek 1 hoofdstuk 16. Daar vergelijkt hij de liefde van een jonge patrijs voor zijn moeder met de liefde van het menselijk hart voor God. Zo wil Franciscus van Sales laten zien dat de liefde van de mens voor God een natuurlijke, ingeboren en vanzelfsprekende neiging is:

Heel regelmatig gebeurt het dat de ene patrijs de eieren van een andere rooft en die dan uitbroedt. Misschien doet zo'n vogel dat vanuit een hevig verlangen om moeder te worden, of vanuit dommigheid waardoor ze geen verschil ziet tussen haar eigen eieren en die van een ander. Maar vervolgens gebeurt er iets bijzonders, waar niet de minsten getuigenis van hebben afgelegd: als een jonge patrijs, die is uitgebroed en opgevoed onder vreemde vleugels zijn echte moeder hoort roepen, laat hij de dievegge direct voor haar in de steek. Vanaf dat moment blijft hij bij zijn echte moeder, en men zegt dat dit komt door de band waarmee hij aan zijn oorsprong is verbonden. Deze band is niet zichtbaar maar verborgen, toegedekt en als het ware slapend in het diepst van de natuur. Tot het moment waarop hij haar herkent. Dan wordt hij plots opgewekt en wakker gemaakt en dan beseft het jong ineens voluit waar zijn eerste plicht ligt. En precies zo, Theotimus, gaat het met ons hart. Ook dat is als het ware geboren en getogen onder de vleugels van de natuur, wat wil zeggen te midden van stoffelijke, nietige en vergankelijke dingen. Maar zodra het een eerste blik op God heeft geworpen en God voor het eerst leert kennen, dan wordt het hart wakker. Alle natuurlijke en oorspronkelijke liefde voor God, die was ingedut en verstopt, komt dan als uit het niets tot leven, als een vonk die uit de as springt. Die vonk raakt de wil van de mens en stuwt hem op tot de hoogste liefde: die voor het allerhoogste en eerste Beginsel van alles wat bestaat."

Franciscus van Sales, Theotimus boek 1 hoofdstuk 16
Bekijk ook de foto van de maand