Salesiaans Contact maart 2026
Nog maar een maand en we vieren weer Pasen. In deze verwarrende en onrustige tijden hopelijk een baken van hoop. In de woestijn van ons leven en die van onze wereld mogen we op weg gaan: veertig dagen, veertig jaren, ons mensenleven lang. Dit nummer van Salesiaans Contact wil daarbij zijn als een bescheiden oase, een rustpunt om daarna weer verder te gaan. We wensen ons allen een goede tocht.
Wim Holterman osfs
SAMEN GAAN VOOR GOUD Tijdens de Olympische Winterspelen heb ik met veel bewondering gekeken naar ‘onze’ shorttrackteams. Niet alleen omdat ze individueel alsook samen geweldige inspanningen hebben ‘verzilverd’ met gouden medailles. Meer nog dan van hun prestaties heb ik genoten van hun teamgeest. Elke gewonnen medaille – ook op individuele afstanden – werd gevierd als team. Er was een enorme gunfactor. Zowel de mannen- als de vrouwenteams maakten het adagium ‘gedeelde smart is halve smart en gedeelde vreugde is dubbele vreugde’ méér dan waar. Bij verlies hielpen ze elkaar om de knop om te zetten om weer te kunnen gaan voor nieuwe topprestaties. Bij winst werden de teams samen met hun trainers tot één kluwen van feestende sporters. Indrukwekkend en ook emotioneel om te zien! Zelfs hun thuiszittende teamgenoten werden deelgenoot gemaakt van hun winst. Schitterend om te zien hoe sport kan verbroederen. Later las ik in de krant, dat de schaats(t)ers als militairen in Oostenrijk getraind hadden. Daarbij draaide alles om het teambelang. Een training in onderling vertrouwen en jezelf ondergeschikt maken aan het team met een geweldig resultaat!
In diezelfde week hebben ‘we’ Carnaval gevierd.

Mijn ervaringen daarin zijn beperkt. Wel voelde ik tijdens de Carnavalsviering in de kerk van Verbroedering…
Zijtaart een enorme saamhorigheid. Het was één groot feest van verbroedering voor jong en oud, van gedeelde vreugde die verdubbeld werd. Op de zondag na Aswoensdag lazen we in de kerk het verhaal van Jezus in de woestijn. Hij vast daar 40 dagen en 40 nachten. Hij treedt daarmee in de voetsporen van zijn eigen volk, dat 40 jaar – een mensenleven lang – door de woestijn had gezworven. Het is – zou je kunnen zeggen – een stageperiode, een training om de goede richting te vinden in zijn leven. Gaandeweg wordt voor Hem duidelijk, dat niet eer en macht, niet bezit Hem tot een ‘goddelijk’ mens maakt. Die woestijndagen maken Hem duidelijk, dat liefde en respect voor God en mensen aan zijn leven een gouden glans geven. Hij wil een levende Blijde Boodschap zijn van bevrijding en vergeving, van genezing en solidariteit. Daarvoor zoekt Hij zijn mensenleven lang tochtgenoten en bondgenoten om samen de wereld en het leven van mensen mooier te kleuren. Steeds opnieuw zet Hij daarbij de kleine, gewonde mens in het centrum van zijn aandacht.
Voor Frans van Sales heeft vasten eenzelfde dubbele betekenis. Het is voor hem allereerst binnengaan in de woestijn van het eigen hart om vandaaruit de hand te reiken aan zijn naaste. Schijnheiligheid is voor hem uit den boze. Vasten is voor hem ‘inkeer om mekaar’. In zijn Inleiding tot het devote leven’ (I,1) is hij daarin overduidelijk: “Iemand die bij voorbeeld een voorkeur heeft voor streng vasten, acht zich godvruchtig als hij maar goed en stevig vast, ook al druipt zijn hart tegelijkertijd van venijn. Want uit pure matigheid zou hij zijn tong zelfs niet met een druppel wijn of water nat maken, maar hij schrikt er niettemin niet voor terug zijn tong in het bloed van de evennaaste te dopen door zijn lastertaal en kwaadsprekerij. Anderen denken dat zij godvruchtig zijn omdat zij iedere dag een heel kerkboek vol gebeden afratelen, maar daarna gaan zij zich tegenover huisgenoten en buren rustig te buiten aan verschrikkelijke scheldpartijen. Een derde tast bijvoorbeeld wel gemakkelijk en royaal in de geldbuidel om de armen een aalmoes te geven, maar als het er op aan komt om zijn vijanden te vergeven is hij niet thuis.

En weer een ander vergeeft wel zijn vijanden, maar weigert zijn schuldeisers te betalen of hij moet er door de rechtbank toe gedwongen worden. Al deze mensen geloven dat zij heel godvruchtig zijn maar zij zijn het natuurlijk niet. In werkelijkheid echter zijn ze niets meer dan schimmen van de echte godsvrucht. Want de ware, levende godsvrucht veronderstelt op de eerste plaats de liefde tot God; sterker: zij is de liefde tot God maar toch ook weer niet de eerste de beste liefde. Want naarmate de liefde onze ziel verlicht en ons met God verenigt, wordt zij genade genoemd. Naarmate zij ons de kracht geeft om het goede te doen noemen wij haar Liefde Gods. Maar pas wanneer zij tot die graad van volkomenheid is gekomen dat zij ons niet alleen het goede laat doen, maar ons ook dwingt het goede zorgvuldig, ijverig, voortdurend en belangeloos na te streven, dan pas heet zij godsvrucht.”
Veertig dagen, veertig jaren, een mensenleven lang mogen wij ons in die geest een spiegel voorhouden in alle eerlijkheid. We gebruiken in onze tijd wel andere woorden dan onze heilige. Maar zij dagen ons desondanks uit om die mens te worden zoals God ons bedoeld heeft. Hij draagt ons op handen en laat niemand van ons vallen. Wij mogen leven in zijn liefde: individueel maar ook samen. We mogen net als de schaats(t)ers het beste uit onszelf halen en samen blijven kiezen voor het goede. Zo mag onze geleefde spiritualiteit een broedplaats worden voor solidariteit. Deze Veertigdagentijd mag ons scherp houden om ons leven te verzilveren tot een gouden glans.

Wim Holterman osfs
God blijft een mysterie
In een verpleeghuis ontmoette ik een diepgelovige vrouw met wie ik regelmatig sprak over de betekenis van God in haar leven. Ze was al ver in de negentig. Door ervaring was ze wijs geworden. Van drie van haar kinderen had ze al afscheid moeten nemen. Veel ontwikkelingen in de wereld had ze meegemaakt. Toen ze het einde van haar leven voelde naderen, zei ze steeds vaker dat het leven haar steeds stiller maakte, haar steeds meer tot zwijgen bracht.
Na haar dood vond een van haar kinderen op haar kamer een klein boekje met allerlei spreuken en teksten die zij mooi vond. Ik mocht het lezen. Op een van de bladzijdes stond geschreven: ‘Hoe ouder je wordt, des te minder weet je van God, en des te groter wordt het geheim.’
In de natuur….

Als wij mensen over God spreken kunnen wij dat niet op een andere wijze doen dan met onze eigen taal. Met woorden die ons vertrouwd zijn, geven wij aan wie God voor ons is en wat Hij voor ons betekent. Dit kan voor iedereen anders zijn. En vaak wordt God ook in elke (levens)situatie verschillend ervaren. Als we verdrietig zijn ervaren we Hem als iemand die troost geeft of juist niet. Als we het gevoel hebben in een ‘flow’ te zitten, ervaren we God als een Kracht die ons boven onszelf doet uitstijgen. Als we door de natuur wandelen of op reis zijn, kunnen we verwonderd zijn over de schepping en ervaren we God als Alleskunner of Wonderdoener.
Dat het zo is dat God voor iedere persoon anders kan zijn en ook in iedere situatie weer anders kan worden ervaren, geeft al aan dat God niet te vatten is in één of twee namen of woorden. Hij is zoveel tegelijk en altijd zoveel groter en meer dan wij kunnen uitdrukken. Al onze namen en woorden voor God brengen Hem misschien wel wat dichterbij, maar ‘Hij is niet zus of zo, Hij is altijd soms’, zo schreef de dichter Bertus Aafjes.
De diepgelovige vrouw in het verpleeghuis kreeg steeds meer ontzag voor wie God is. Het leven leerde haar om God God te laten zijn: een groot Geheim, een Mysterie. Van haar wijsheid kan ik nog veel leren. Misschien U ook!

Astrid van Engeland


