© De Oblaten van Franciscus van Sales | contact

Citaat februari 2020


Wie iets heeft gedaan wat niet goed is, kan last krijgen van spijt en wroeging. Onopgehelderde misdaden worden soms na lange tijd toch nog opgebiecht, omdat er niet te leven valt met kwellende gevoelens van zelfverachting en onrecht. In dit hoofdstuk van de Theotimus onderscheidt Franciscus van Sales berouw of boetvaardigheid in verschillende soorten: psychisch, filosofisch en christelijk. Wie iets fout heeft gedaan, kan gaan tobben over het eigen geestelijke welzijn. Ook kan men filosofische argumenten inbrengen tegen het doen van slechte dingen. En ja, ook filosofen, zo zegt Franciscus, hebben kennis van God en van de ziel. In de filosofie wordt beweerd dat een wijs man nooit zondigt, maar christenen weten wel beter. In de eerste brief van Johannes staat immers: “Als wij zeggen zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden, is Hij zo getrouw en rechtvaardig, dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid” (1 Johannes 1, 8-9). Dat maakt, aldus Franciscus van Sales, van de boetvaardigheid een christelijke deugd en een echte goddelijke liefdesles. Want alleen in en uit liefde wordt berouw beoefend.

Berouw, dat wil zeggen: de bereidheid om boete te doen, is niets anders dan spijt van de zonde die je hebt begaan. Je verwerpt en verafschuwt wat je hebt misdaan en je bent vastbesloten om het weer goed te maken met degene tegen wie je gezondigd hebt. Berouw bevat ook het voornemen om het onrecht te herstellen, want je kunt nu eenmaal de belangrijkste gevolgen er van - de belediging en het onrecht - niet voort laten bestaan. En als je het niet verhelpt en herstelt, dan blijft het bestaan. (…) Ik heb het over deugdzaam berouw en daar bestaan verschillende soorten van, omdat ze voortkomen uit verschillende motieven.  Er is psychologisch-menselijk berouw, zoals dat van Alexander de Grote. Toen hij Clitus had vermoord, wilde hij zichzelf uithongeren van spijt. Cicero vertelt ons erover. Augustinus meldt ons dat Alcibiades huilde van spijt omdat hij niet was zoals hij moest zijn. Aristoteles schrijft dat iemand die zich overgeeft aan wellust onverbeterlijk is, omdat hij geen berouw heeft. En wie geen berouw heeft, kan zich onmogelijk verbeteren. Ook Seneca, Plutarchus en Pythagoras hebben het gewetensonderzoek aanbevolen. Seneca in het bijzonder heeft levendig geschreven over de verwarring en onrust van de ziel die wroeging voelt. En Epictetus schrijft prachtig, mooier kan het bijna niet, over het zelfverwijt, over de berisping die we onszelf moeten geven. Behalve het psychische berouw is er ook het godsdienstige berouw, ofwel het goddelijke berouw. Dat komt ergens anders uit voort, namelijk uit ons besef God te beledigen met onze zonde. Wie goed leeft, behaagt God en wie slecht leeft, beledigt Hem. (…) De filosoof Epictetus wist dat de zonde God beledigt, zoals de deugd Hem eert. Epictetus wilde dat men spijt had van de zonde, en wel zozeer dat hij voorschreef om iedere avond het eigen geweten te onderzoeken. Zijn raad luidde als volgt: Heb je kwaad gedaan? Berisp jezelf. Heb je goed gedaan? Wees blij."

Uit: Franciscus van Sales, Verhandeling over de liefde tot God, boek 2 hoofdstuk 18.
Bekijk ook de foto van de maand